Het was in de namiddag van eerste kerstdag en het is zeker twintig jaar geleden. En koud dat het was… ongelofelijk! Dat hadden we die ochtend met zijn allen goed gemerkt. Onze kerstvieringen hadden we nu achter de rug. Het sneeuwde en het waaide, waardoor de vlokken schuin naar beneden vielen… van oost naar west. Op straat was het glad. Het was het soort weer dat wij om één of andere reden met kerst graag zien... maar dan minder schoon. Het verkeersgeruis dat altijd wel vanuit de verte te horen is, was afwezig. Bij ons in de straat hield iedereen het kennelijk voor gezien, behalve dan die jongen… die ene, daar aan de overkant van de straat. Het was stil, heel stil… overal. Door het raam naar buiten starend zag ik hem plotseling staan. Het leek wel of hij ineens was verschenen. Ik had hem daar tenminste niet naartoe zien lopen. Hij stond bewegingloos, en met de rug gebogen in de wind. Een lange sjaal was om zijn nek geslagen en een jas had hij niet.
Een jaar of vijfentwintig moet hij zijn geweest, schat ik, een jofel figuur. Hij moest het wel erg koud hebben. Toen ik mij even met een kopje thee bezig hield en opnieuw naar buiten keek, was hij verdwenen, maar het duurde niet lang of ik zag hem opnieuw. Vanaf de hoek van de straat kwam hij aanlopen. Hij liep natuurlijk vanwege de kou maar een beetje heen en weer, dacht ik, om in beweging te blijven. Een half uur later stond hij er nog steeds en ik besloot een praatje met hem te maken. Nadat ik hem vanuit de geopende buitendeur had aangeroepen, kwam hij mijn richting uit en liep de oprit op. In zijn gymschoenen zaten gaten, zag ik nu, en sokken droeg hij niet. Wat zag die jongen er uit! Grauw van de kou was hij. Hij zou toch niet ziek zijn? Ik vroeg of ik iets voor hem kon doen. Hij bleek Engels te spreken en het klonk mij heel beschaafd in de oren. De jongen stond zo te rillen, dat ik vroeg of hij niet even binnen wilde komen. En zo geschiedde…
Na een glas hete melk en twee boterhammen met gebakken eieren, kwam hij een beetje tot zijn positieven. Ik probeerde uit hem te krijgen waar hij vandaan kwam. Wat deed hij hier, en waar ging hij zo helemaal in zijn eentje op eerste kerstdag naartoe? Het antwoord was verward en zijn geschiedenis was onduidelijk, had kop noch staart. Hij zei dat hij uit het midden van Engeland kwam en vertelde een bizar overkomend verhaal over "aliens". Of hij daarmee niet-Engelsen bedoelde of wezens uit de ruimte, was niet duidelijk. Ze hadden Engeland in de greep, zei hij, en hij kon er niets meer aan doen. Hij had daar wel zijn best voor gedaan, maar nu was hij gevlucht en onderweg naar Oost-Europa, want daar zouden ze hun volgende slag slaan, wist hij. Hij zou proberen dat te verhinderen, maar er was weinig tijd en hij moest de mensen waarschuwen. Hij wou snel verder en dankte voor de gastvrijheid.
Nou ja… Wat moet je nou in zo'n situatie? Ach… een paar dikke wollen sokken en een regenjas… die konden we wel missen, vonden wij. Die jas was mij na sinterklaas en kerst van vorig jaar toch te nauw geworden. Het gezicht van de jongen glom van dankbaarheid. Hij kreeg plotseling haast en wilde weg. Met de auto bracht ik hem naar de rijksweg richting Den Bosch. Vandaar kon hij proberen liftend zijn weg naar het oosten te vervolgen. Thuis praatten wij nog wat na over dit wonderlijke bezoek en ik kon het niet laten een uur later te gaan kijken, of hij er nòg stond. Geen spoor meer van de jongen, en mijn eerdere gerustheid over zijn vertrek leek mij later niet zo erg gegrond.
Ik kon het niet helpen, maar ik moest steeds aan het verhaal van de barmhartige Samaritaan denken. Was dit nu voldoende hulp, betoond aan deze vreemde Engelsman? Ik weet het niet, maar ik denk elk jaar omstreeks deze tijd wel eens terug aan die rare voorbijganger van toen. Ik heb hem nooit teruggezien…
