Gemiddeld kom ik één, misschien twee keer per jaar in Sneek. Ik ga altijd even door de Marktstraat en sta een ogenblik stil tegenover nummer 16, het huis waar ik geboren ben. Ik kijk dan omhoog naar het ronde venster op de bovenste verdieping. Dáár was in de jaren na de bevrijding van de Duitsers de kamer waar mijn broer en ik de nacht doorbrachten. Nr 16 was ons ouderlijk huis; tenminste... de bovenkant van het pand. In de benedenverdieping was een bank gevestigd. Die bovenste verdieping werd in mijn vroege jeugdjaren bewoond door zeven personen: vader, moeder, twee meisjes, drie jongens. Ik was nummer twee van het rijtje kinderen. Nummer drie was een broer, twee jaar jonger dan ik. Ik speelde veel met hem in de periode vlak na de oorlog en ik deelde met hem de slaapkamer achter het ronde raam.
Dat had een bijzonder doel want mijn broertje had een groot probleem: hij had diabetes sinds hij een jaar of twee was en was voor mijn ouders een zorgenkind. In die dagen waren de mogelijkheden om ‘suikerziekte’ te beheersen, veel minder dan tegenwoordig. Dat broertje van mij moest heel vaak naar het ziekenhuis, soms wel om de paar maanden: om te worden ‘bijgeregeld’ zoals ik dat in navolging van mijn ouders ging noemen. Als hij thuis was, was ik zijn oppasser. Vooral ’s nachts was ik ‘mijns broeders hoeder’, zoals mijn vader dat noemde. Het is nooit bij me opgekomen om het te vragen, ook later niet: Waarom ik altijd? Ben ik mijns broeders hoeder? Ja, dat stond vast: ik was mijns broeders hoeder!
Dat passen op die broer kwam erop neer dat ik meteen moest waarschuwen, als ik ’s nachts wakker werd omdat hij vreemde huilende geluiden uitstootte. Dat was altijd middenin de nacht en ik waarschuwde dan meteen mijn ouders, als die tenminste al niet bij ons bed stonden, en dat was meestal het geval. Mijn broertje moest dan suiker hebben, die werd toegediend op een kleine lepel tegelijk met wat sinaasappel- of citroensap. Het kostte meestal grote moeite dat naar binnen te werken want hij probeerde het altijd meteen weer uit te spugen.
Ja, ik weet natuurlijk niet hoe anderen dat ervaren zouden hebben of misschien zelf wel ervaren hèbben, maar na enkele malen ging ik als kleine jongen toch een soort afkeer van dat vervelende ventje naast mij ontwikkelen. Kon die jongen nou echt niet zijn mond houden middenin de nacht, en mij laten slapen asjeblieft? Na verloop van tijd ontwikkelde zich zelfs een haatgevoel tegen het broertje... dat er natuurlijk niets aan kon doen.
Er waren meer redenen voor dat soort gevoelens. Vlak na 1945 was er vrijwel niets in ons land, wij hàdden werkelijk niets. En etenswaren als kaas, vlees en eieren waren op de bon of ze waren helemáál niet te krijgen. Die broer van mij... diè had een speciale regeling. Diè kreeg kaas en vlees, en ’s ochtends een eitje bij het ontbijt! Kunt u het zich voorstellen?
En ik, arm hongerig mannetje? Ik kreeg ook wel boterhammen hoor, maar meestal, zoals dat heette, met tevredenheid dat wil zeggen... met helemaal niks of alleen een likje margarine. Kijk, zoiets leidt nou tot nijd en misschien wel haat!
Ach, achteraf gezien, is het natuurlijk allemaal voor mijzèlf best meegevallen, maar toch...? Ik kan er niets aan doen. Elke keer, als ik in de buurt kom van dat ronde vensterraam in Sneek, word ik ernaartoe getrokken. En dan voel ik ze weer... die gevoelens van afgunst, bijna haat die er bij mij waren en die ik opnieuw moet onderdrukken, als ik naar boven kijk... naar dat ronde vensterraam uit mijn verleden.
