Ik weet niet hoe het bij u is, maar… hebt u een “opoe”, of hebt u die misschien gehad? Ikzelf niet! Ik heb wel een beppe gehad, en ook een oma. Die beppe was mijn oma van vaders zijde, en die oma was mijn beppe van de kant van mijn moeder. Ach ja, het hangt ervan af waar je woont, hoe je je oma’s en opa’s noemt, maar een opoe kennen wij in onze familie eigenlijk niet …
Toen ik nog in Delft woonde, en dat is al aardig lang geleden, had ik veel vriendjes die een opoe hadden net zoals mijn eigen goede vriend Willem, die bij de algemene begraafplaats Jaffa woonde. Zijn vader was dagelijks beheerder van die plaats en de zoon van opoe. De begraafplaats lag helemaal aan de zuidelijke rand van de stad, want de doden hoorden niet meer bij de stedelijke gemeenschap, maar toch eigenlijk ook weer wel. Voorbij Jaffa was ook de stad voorbij: daar begon het domein van de koeien en van het polderland.
Opoe woonde in een huisje dat zo’n zeven- tot achthonderd meter verderop de polder in lag. Naast het huisje liep een lange sloot langs een smalle kade. De sloot en de kade leken heel ver door te lopen, wel helemaal tot Rotterdam. Een fantastisch, zompig land was het daar rond dat huisje van opoe. Je kon er slootje springen en in de winter kon je er schaatsen, en dat gebeurde dan ook op grote schaal. De polder daar heeft een aantal grote schaatsers opgeleverd, zoals Kees Broekman en Stien Kaiser. Ik weet niet of u die namen nog kent, maar dáár op dat lange smalle slootje hebben zij ooit leren schaatsen. Op de kade lag een weggetje, geschikt voor wandelaars en fietsers, en ook wel zo nu en dan voor een koe, die aan een touw geleid moest worden. Het weggetje diende als ontsluiting en toegang van een aantal boerderijtjes en arbeidershuisjes daar vlakbij. ’s Winters was het er meestal erg koud en gierde de wind om de knotwilgen langs de sloot.
Opoe heeft vrijwel haar hele leven in dat huisje gewoond, eerst met haar vader en moeder, en broers en zussen, en later met haar man en kinderen. Maar, die tijd was allang voorbij, ze woonde daar nu alleen. Regelmatig werd er door haar zoon en kleinkinderen op aangedrongen dat ze bij hen in huis zou komen wonen, maar niks hoor… dat wilde ze niet. Alle familie was bij haar altijd welkom, maar ze bleef wèl op zichzelf wonen. Dat standpunt betekende alleen dat zij in de winter door haar zoon of een kleinzoon of kleindochter moest worden opgehaald, in elk geval op zondag; dan ging ze immers naar de kerk… en wel op haar paasbest! Ze had een prachtige kanten muts die zij dan droeg!
Opoe is allang geleden overleden, maar ik denk nog wel eens aan haar terug, vooral als ik in de buurt ben waar vroeger haar huisje stond… in de polder, tussen de knotwilgen. Het huisje en de knotwilgen zijn er niet meer, en van de kade met het paadje erover heen is geen zandkorrel meer te bekennen. Stadsuitbreiding en gebouwen van de technische universiteit hebben alle herinnering en sporen aan opoe uitgewist!
Mijn vriend Willem woont nog in Delft, alleen in een andere wijk en ik kom nog vaak bij hem op bezoek. Wij drinken dan een glaasje en praten wat over het verleden, over onze kinderen en kleinkinderen… en over opoe, die in de polder woonde, en die met haar kanten muts naar de kerk ging. Zij was de enige opoe die ik ooit heb gehad!
