Ach… wist ik veel; ik was een jaar of vijf/zes in die tijd. In de loop van 1945/46, dacht ik dat een tollenaar iemand was die handelde in tollen en zweepjes, en ook in ander spul voor kindertijdverdrijf zoals knikkers en stuiters. Tollenaren…? Dat waren van die rijke mannen die al dat dure kinderspeelspul dat ik nodig had, gewoon in de verkoop hadden. Ja, ik wist het zeker, want dat verkopen in Sneek vond plaats op het plein van de Martinikerk, zeg maar het tempelplein, vlak tegenover het speelplein van mijn eigen Jan van Nassauschool. Schurken en afzetters, die handelaren, echte tollenaren! Wie toch dat woord ooit heeft bedacht? Tollen en zwepen waren heel duur, die zouden voor mij financieel altijd onbereikbaar blijven. De weerzin bij ons volk tegen het heffen van tol, zou best eens ontstaan kunnen zijn door dàt woord. Iemand die tol heft, is een tollenaar en een tollenaar deugt niet!
Na het toltijdperk kwam de knikkertijd. Ik zat in de derde klas van de lagere school, groep vijf zouden we nu zeggen, en knikkers… die had ik niet, laat staan stuiters. Kijk, stuiters waren van glas of steen met allemaal prachtige verschillende kleuren. En die glazen, met van die mooie vlammen erin, waren veel meer waard dan die stenen. Knikkers waren gewoon van klei en hadden maar één kleur. De waarde van die dingen had iets bijbels. Eén stenen stuiter was zeven knikkers waard en één glazen stuiter wel twaalf! En zo’n gróte stuiter, zo’n hele dikke -een kalebas heette zo’n ding- dié was weer drie glazen stuiters. Jazeker, het klonk echt bijbels. Die mannen in de knikkerhandel waren lang niet gek. Het was dan ook niet onlogisch dat je die stuiters en knikkers kon kopen op het tempelplein, bij diezelfde tollenaars! Ja… als er ooit een beroep is geweest dat mij aantrok, dan was het dat van tollenaar! Maar ja, ik had geen cènt, en knikkers kópen was er niet bij, laat staan stuiters. Als ik mee wilde doen in de knikkerwereld, zat er maar één ding op: ik moest ze zelf produceren! En met die knikkers zou ik dan stuiters kunnen winnen. En zo geschiedde, ik deed dat samen met een vriendje, dat in even kommervolle en hebzuchtige omstandigheden verkeerde als ikzelf.
Onze kleiwinning bevond zich net ten noordwesten van de toenmalige bebouwing van Sneek. Lekkere vette klei had je daar, en je kon die zó in hompen uit het land halen. De productie van knikkers viel lang niet mee. Het kostte heel wat moeite om met de hand knikkers te draaien die een beetje redelijk rond waren, allemaal even groot en ook nog mooi glad. Maar na dagen proefdraaien waren er uiteindelijk een aantal redelijke exemplaren. Ook het droog- en verfproces (met plakkaatverf en lak) was geen sinecure, maar op zeker ogenblik hadden we dan toch per man 20 knikkers die ermee doorkonden, en we hoopten dat het verschil met de echte knikkers in het gewoel van het knikkeren niet op zou vallen. Zo ben ik aan mijn echte knikkers gekomen. Op zeker moment stond ik zelfs bij de tollenaars op het tempelplein knikkers voor stuiters te ruilen. Mijn droom was werkelijkheid geworden: een fantastisch gevoel… Ik was tollenaar!
Zo’n heerlijk tollenaarsgevoel heb ik later eigenlijk zelden meer ervaren, een paar maal maar, en wel als diaken bij het tellen van de collecteopbrengst van de kerstnachtdienst in de Grote Kerk. Nou ja, je hebt al dat geld natuurlijk niet zelf gemaakt of gewonnen, maar toch… het voelt als een soort terecht geheven tol, zèlf bij elkaar gehaald. Dat ik de enige niet ben die daar van die heerlijke gevoelens bij heeft, zag ik laatst aan een foto van een aantal diakenen, druk bezig met tellen van de collecte uit de kerstnachtdienst. Ook de echtelieden deden mee. Met verzaligde gezichten zie je hen zitten, met stapels geld: een duidelijk tollenaarsgevoel!
Het tempelplein in Sneek bezoek ik zo nu en dan nog. De Jan van Nassauschool is gesloten, en knikkerwisselaars tref je daar niet meer. In het gebouw van de school is nu iets van sociaal werk gevestigd. Dat was vast hard nodig… in die tollenaarsomgeving…
