logo

(naar een gebeurtenis van ruim 30 jaar geleden)

Het dorp had voor ons een grote aantrekkingskracht. Daaraan hielp ook het kleine kerkje mee waar we op zondag de dienst bijwoonden. Er waren veel mensen die we kenden van de bakker. In die bakkerswinkel was het altijd vol, en mijn vrouw stond dan temidden van de menigte klanten binnen, terwijl ik buiten stond. Het was een echte dorpsbakkerij, waar veel vakantiegangers kwamen voor brood en lekkernijen. Ik wist uit ervaring dat het wel dertig minuten duurde voor zij weer naar buiten zou komen met anderhalf geknipt ongesneden bruin en een suikerbrood.

Ik keek zoekend om me heen en zag mijn dochtertje van vijf touwtjespringen op wat officieel een soort fietsstrook was. Toen ik naar haar toeliep, keek ze me aan met stralende ogen. Haar twee blonde staartjes hupten bij het springen op en neer. Haar ogen zeiden: Kijk eens hoe goed ik het kan? En ik keek en lachte haar toe.

De man met de schipperspet zat op het bankje vlak voor zijn huis, dat met de muurankers het jaar van gereedkomen aan de voorbijganger kenbaar maakte: 1641! Hij was een jaar of tachtig,  rookte een pijpje en keek peinzend van het meisje naar mij...

’Kijk goed, mijnheer...’, zei hij ineens, ‘...het duurt maar kort en de tijd komt nooit meer terug’. Ik keek hem waarschijnlijk een beetje dom aan want hij begon plotseling te lachen. Zo te zien zat hij om een praatje verlegen. ‘Wacht u heel even?’, vroeg hij toen. Hij ging zijn huisje binnen en kwam even later terug met een foto in de hand, een wat verbleekt kiekje.

‘Kijk’, zei hij, ‘...mijn dochter, toen ze vijf was...’ Op de foto stond een meisje met een springtouw.  Ze had staartjes, haar ogen keken recht in de lens en ze keken je aan met een blik van: Kijk eens, hoe goed ik het kan...?  ‘Ze is nu tweeënvijftig’, zei hij, ‘is mijn enig kind, ze woont in Canada’. Zorgvuldig bekeek ik de foto, waarna hij die weer in zijn portefeuille stopte.

‘Ze komt elk jaar naar Nederland’, vertelde hij, ’ze is pas weer vertrokken’. Ik keek hem aan en vroeg toen ‘hebt u verder nog familie hier?’ ‘Nee, niemand. Maar ik heb mijn vrienden en kennissen, ik heb niet te klagen en ik ben goed gezond’. Hij wenkte me geheimzinnig. ‘Komt u even binnen, dan zal ik u iets laten zien’. Nadat ik me ervan had vergewist dat mijn dochtertje niet midden op de weg stond, volgde ik hem een beetje schoorvoetend. Vanuit het gangetje zag ik hem wat rommelen in een kast in de kamer. Toen kwam hij terug.

‘Kijk’, zie hij. Hij had iets in de hand... het was een springtouw, een oud springtouw met van die grote rechte houten klossen, die door het gebruik gesleten waren. Het touw was aan één kant gerafeld en er zat een knoop in. Ik keek hem vragend aan. ‘Is dat... ?’. Hij knikte, het was hetzelfde springtouw. Met langzame bewegingen borg hij het weer in de kast. ‘Ziet u?’, zei hij toen, ’dat bedoelde ik nu’. Ik knikte en we stonden nog even te kijken naar mijn dochtertje... haar staartjes hupten op en neer. Ik zweeg op de terugweg. De bakkerij was nog even vol, maar nu met andere klanten.

Zondag in de kerk zag ik hem opnieuw. Merkwaardig dat hij mij nooit  eerder was opgevallen; wij staken allebei een hand op.

Toen ik tegen het vallen van het duister nog even rond het zomerhuisje liep voor het opsnuiven van de laatste buitenlucht van die dag, zag ik daar iets schemeren in het gras. Nieuwsgierig liep ik ernaartoe, het was het springtouw. Zorgvuldig rolde ik het op en legde het in de vensterbank.