logo

Wanneer is een tekst het aanhoren waard en wanneer niet? Het doet er eigenlijk niet zoveel toe waarover het gaat, maar als iemand een aardig verhaal wil houden dan moet hij vooral niet meteen met de eigenlijke boodschap beginnen en zijn toehoorders daarmee rauw op het dak vallen. Dat kàn natuurlijk wel, maar het is niet de methode om een aansprekend betoog te houden en je toehoorders te boeien. Nee, een gesproken tekst moet beginnen met een inleiding, bijvoorbeeld een anecdote, een sprookje, een mop, een overdreven stelling of een pertinente leugen, en aan het eind moet een verbinding worden gemaakt met dat begin èn met de boodschap die je in het centrum van je verhaal brengt. Doet Jezus dat zelf ook niet in zijn gelijkenissen?         

Hoe vaak hebben wij het gebed dat Jezus ons heeft geleerd niet in allerlei verbanden gebeden? Aan tafel aan het begin van de maaltijd, bij de start van een bijeenkomst, aan het slot van een gebeden-cyclus in de eredienst. Mede daardoor stellen wij ons God als vader voor, of doet u dat niet? Ik heb het idee dat wij dat “Onze Vader” graag uitspreken omdat we dan zeker weten dat het goed is. Niemand kan tegen die tekst iets inbrengen, toch? Want wij kunnen natuurlijk helemaal verkeerd bidden als we zelf maar wat bedenken, en zo’n bidden kan een soort vloeken worden en dat moet niet...   

Oom Jan was de oudste broer van mijn moeder. Hij was stukken ouder dan zij en hij was predikant. Hij was een buitengewoon geestige man en kon vertellen als de beste, en als hij een groepje kinderen om zich heen had en een verhaal vertelde, dan zaten die algauw met open mond naar hem te luisteren. Ikzelf vroeger ook, heb ik mij door mijn moeder laten vertellen. Maar zodra die oom in jacquet de preekstoel had beklommen, dan kwam er een zodanige geest over hem dat niets van wat hij zei het aanhoren nog waard was ... noch van zijn lezen uit de bijbel, noch van zijn preken, noch van zijn gebeden. Het was het altijd heel vreemd, dat zijn manier van praten en vertellen in de normale omgang en die “ex cathedra”, zal ik maar zeggen, zo verschillend waren. Vooral de zalvende toon waarop hij zijn gebeden zei, stoorde mij in hoge mate. Toen ik een jaar of vijftien was, heb ik hem dat een keer duidelijk verteld, nadat ik hem weer eens (te) lang in een kerkdienst had “moeten” aanhoren. Ik zal nooit de gewonde blik in zijn ogen vergeten, toen hij mij aankeek. Kijk, ik was natuurlijk maar een ontzettend eigenwijs mannetje in die dagen, maar ik was wèl de oudste zoon van zijn jongste zusje, dat nog bij hem op de knie gezeten had. En hij had zo graag gewild dat hij iets op mij over kon brengen van wat hem bewoog als hij iets zei. Van een gesprek tussen ons daarover kon geen sprake zijn door het verschil in leeftijd. Misschien zou dat in de huidige tijd anders zijn, maar toen niet.               

Nu is een gebed natuurlijk geen toespraak, maar iemand die vóórgaat in gebed moet zich wel goed realiseren dat Gòd luistert, en misschien ook nog engelen, en zeker de gemeente die zo’n gebed moet kunnen dragen. En begrijpen we altijd wat we bidden? Dat is altijd een probleem met die hele of halve formulier-gebeden. Rudolf  Steiner, de voorman van de antroposofie, maakte in het begin van de twintigste eeuw de inhoud van het Onze Vader duidelijk door het allemaal om te draaien. Hij zei het zó:

               Voorwaar, de kwade machten heersen,
               getuigen van zich losmakende ik-heid,
               door anderen veroorzaakte zelfheidschuld,
               beleefd in het dagelijks brood,
               waarin niet heerst de wil der hemelen,
               omdat de mens zich afscheidde van Uw Rijk
               en Uw Naam vergat, Gij Vader in de hemelen ...

Goed om er zo eens over na te denken.