logo

‘Geneigd tot alle kwaad en niet in staat tot enig goed’, heb ik indertijd geleerd over de mens. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik altijd wel wat moeite heb gehad om het daar helemaal mee eens te zijn, maar tegenwoordig moet je met zo’n uitspraak in de meeste gezelschappen al helemáál niet aankomen. Heden ten dage zijn de mensen in wezen góed en niet slècht, dat vindt toch iedereen? Nou, bij ons in Nederland zeker. Hoe die ‘iedereen’ daar eigenlijk bij komt, weet ik eerlijk gezegd niet, maar voor mijzelf staat vast dat de westerse mens van nú zich in hart en nieren ìn- en ìngóed voelt! Dat geldt eigenlijk voor alle mensen, en dus ook voor kerkmensen. De tijd dat wij nog ‘zondigden’?... Die ligt toch ver achter ons? Dat was vróeger, lang... làng geleden.

Wij moeten ons er niet over verwonderen dat de kerken zo leeg zijn. In de kerken wordt immers de blijde boodschap verkondigd: die van de vergeving van zonden en die van de ‘verlossing’. Wat moet ons dan vergeven worden en waarvan moeten wij dan wel worden verlost als er in onze eigen beleving eigenlijk maar weinig sprake is van zonde? Ja, bij anderen kunnen we die wel aanwijzen, maar bij normale en keurig levende mensen zoals wijzelf zijn, toch niet? Welnee, en je moet vooral niet tegen zich zo ‘goed’ voelende mensen zeggen hoe slecht zij eigenlijk zijn, want dan zijn de rapen gaar. Ik geef toe: in de kerk kan dat wèl, als het op het juiste ogenblik tijdens de eredienst gebeurt.

Als je iemand prijst dan ontstaat blijdschap bij de betreffende persoon. En keur je met zoveel woorden af wat iemand doet of gedaan heeft, dan ontstaat boosheid of op zijn minst verdriet, en vaak allebei. Het is met die ‘zonde’ van ons al met al een lastige zaak. Wij begrijpen het niet zo goed, want wat is nou eigenlijk zonde? Als je dat vraagt aan deze of gene, dan wordt al snel overgegaan tot het geven van een paar voorbeelden van èchte slechtheid, en die zijn er natuurlijk te over. Wij kunnen ons vreselijk opwinden over al die nare en slechte mensen, in het middenoosten bijvoorbeeld, waar de slechtheid ook nog wordt opgewekt en aangewakkerd door godsdienst. Maar als iemand ons eraan herinnert dat het bij ons in het West-Europa van de laatste eeuw ook bepaald niet zo beschaafd toeging, willen wij dat eigenlijk niet horen. Alsof wij het hier kunnen helpen dat die Duitsers in de jaren dertig en veertig van de laatste eeuw zo van het juiste pad zijn geraakt! Om maar niet te spreken van onze voorouders in de middeleeuwen en wat later. Wat die allemaal uitgespookt hebben, daar kunnen wij toch niets aan doen?

Veel dingen die vroeger als zondig werden beschouwd, zijn tegenwoordig bovendien heel gewoon (en dus niet zo zondig). Ja, dat idee heb ik wèl, en zaken die vroeger als heel gewoon werden gezien, vinden wij nù behoorlijk zondig of liever gezegd ònbehoorlijk zondig, zoals slavernij en het lichamelijk straffen van mensen, en vooral van kinderen. Wij begrijpen niet (of niet meer) wat zonde eigenlijk is en misschien hebben we het wel nooit begrepen!

Mijn mòeder vroeger, díe begreep het wèl. Als iemand bij ons thuis een kopje of schoteltje op de stenen vloer liet vallen, dan kwam er steevast een gil en zei ze: “’t Is sund”, en soms kwamen er zelfs tranen, want de kopjes die wij lieten vallen, waren nooit die waarin al een scheur zat en het waren altijd de mooiste en de duurste! Dat ‘sund’ wat ze zei, was natuurlijk gewoon ‘zonde’, maar ja... dat laatste woord gebruikte ze liever niet, want dat woord had op zichzelf al een zondige uitstraling. Ze bedoelde dat het gebroken stuk aardewerk of porselein nooit meer aan zijn bestemming zou kunnen voldoen. Zij had dus best een goed ontwikkeld begrip van wat zonde eigenlijk is.  

Ach, wij zijn vast net zo zondig als toen wij nog jong waren, maar wat veranderd is, is het besef dat wij daarvan hebben!