logo

Wanneer heb ik hem eigenlijk voor het eerst ontmoet? Ik weet het niet meer, maar het is al jaren geleden. Het was in een café waar ik zo nu en dan kom. Hij is een vreemde vent van wie ik in een bepaalde periode gedurende een aantal middagen vast gezelschap ben geweest, en wel omstreeks borreltijd in de namiddag. Ja, zijn taaltje kan mij soms behoorlijk tegenstaan, zowel in kwaliteit als in kwantiteit, en in zo’n situatie heb ik weinig zin om iets met hem te drinken. Voor hem is dat heel vervelend want ik moet dat drankje altijd voor hem betalen, en dat vindt hij heel gewoon. Wie dat voor hem doet als ik er niet ben? Geen idee! In zijn ogen ben ik weinig anders dan een rijkaard die heel goed drankjes voor anderen kan betalen. Dat is mijn belangrijkste levensdoel, vindt hij. Tja, sommige mensen houden er duidelijke maar vreemde ideeën op na.

Zoals je dat soms kunt hebben als je een tijdje met iemand omgaat en eigenlijk best redelijk met hem kunt opschieten, zijn er toch wel eens wrijvingspunten. Het zijn eigenlijk maar kleine dingen die mij ergeren. Zoals ik al zei, is het ergste zijn taalgebruik. Dat staat mij werkelijk ontzettend tegen. Kijk, je kunt naar mijn idee ook gewoon léuk Brabants spreken, maar dat taaltje van hèm? Vré-se-lijk! Daarbij komt dat de woorden die hij verreweg het meest gebruikt, ‘Allejezus’ en ‘God-Christus-nog-toe’ zijn. Nou ja, ‘gebruiken’ kun je dat ook eigenlijk niet noemen en ‘misbruiken’ is eigenlijk wat overdreven. Hij weet gewoon helemaal niet wat hij zegt en ik heb een hekel aan lieden die niet weten wat ze zeggen, en ook niet weten waarom ze dat wat-ze-niet-weten zeggen. Bovendien getuigt dat voortdurend ondeugdelijk aanhalen van God en Jezus van groot onfatsoen! Vandaar de ergernis die binnen de kortste keren bij mij oplaait als ik met hem aan de praat ben. Ik heb hem één keer uitgebreid voorgehouden, dat hij dat soort taal niet moet uitslaan en ook waarom niet.  Mij is nog nooit een blik van zoveel onbegrip ten deel gevallen! Op zeker ogenblik heb ik hem daarover na twee drankjes nòg eens aangesproken en hem uitgelegd wat de woorden die hij voortdurend uitkraamt, eigenlijk voorstellen en betekenen. “Allejezus, Christus nog toe”, zei hij, “als jij daar zo’n hekel aan hebt, dan doe ik dat toch niet meer.” Het klonk blijmoedig toegevend, maar het was allemaal boter aan de galg gesmeerd, wat ik gezegd had; dat begreep ik heel goed...

Het is nu al een behoorlijke tijd geleden dat ik hem gezien heb, en ik ben lange tijd niet meer in het café geweest. Toen ik daar pasgeleden toevallig weer eens langskwam, zag ik hem ineens zitten, zonder iets te drinken en somber voor zich uit kijkend. Ik schoot naar binnen en nam bij de tapkast twee borrels mee. “Allejezus, ben jij het?”, zei hij na een flinke slok. Uit het verhaal dat ik hem met enige moeite ontlokte, maakte ik op dat hij hier ook een aantal maanden niet geweest was, doordat hij voor diefstal in de bak had gezeten. Volgens hem was dat allemaal de schuld van anderen. Er verliepen daarna maanden waarin ik hem niet zag, zodat ik wèl nieuwsgierig werd waar hij zou zitten. Het kostte grote moeite te ontdekken waar hij woonde, maar uiteindelijk kwam ik erachter. Hij zat met een aantal anderen in een huis waar hij beschermd woonde.                                

Toen ik bij hem aanbelde, deed hij toevallig zelf open en keek verbijsterd naar mij.  “Allejezus... o nee, dat moet ik niet zeggen”, zei hij en zwaaide de deur open. “Ach, zeg maar Piet”, zei ik over de drempel bij hem naar binnen stappend...