Nee, een blikseminslag hadden ze niet gezien; dat kwam natuurlijk omdat die achter hen had plaatsgevonden en zij de andere kant opgekeken hadden, naar voren, in de richting van de kerk. Ze hadden wel een geweldige knal gehoord. Het was zondag, en zondag is het de dag des Heren, dat wisten verreweg de meeste mensen toen nog; dat is tegenwoordig wel anders… Het was toen natuurlijk een heel andere tijd, het was het eind van de veertiger jaren van de vorige eeuw. Het was de tijd waarin ik opgroeide van klein jongetje tot een groter jongetje.
‘s Zondags gingen wij allemaal samen naar de kerk: vader, moeder, mijn oudere zus, ikzelf, twee broertjes en nog een zusje. Voor de wandeling van thuis tot kerk namen wij rustig de tijd. Wij deden er bijna een half uur over en dat was helemaal geen probleem, want wij kwamen tijdig uit bed en hadden verder toch niets anders te doen: het was immers zondag! We moesten alleen zorgen dat we tegen tienen in de kerk waren, en dat mislukte nogal eens.
Er werd niet gefietst. Niet dat mijn familie fietsen op zondag nu zo verkeerd vond… Maar mijn ouders dachten dat wij anderen daarmee zouden kunnen ergeren of kwetsen, en er waren in onze woonplaats zeer velen die zich snel door anderen lieten ergeren. Wat bij het handhaven van die fietsregel goed hielp, was het feit dat wij -op mijn moeder na- helemaal geen fietsen hadden. Wat ik mij van die jaren nog goed herinner, is de stilte die overal heerste op zo’n zondagmorgen, overal een intense rust.
Achter ons woonde net zo’n gezin als dat van ons, dat naar dezelfde kerk toog en ons meestal inhaalde bij de ophaalbrug vóór de laatste overgebleven oude poort van de stad. Er was niets bijzonders met die inhaalmanoeuvre, maar die achterburen wandelden gewoon wat sneller dan wij. Eén van de gezinsleden daar was een vriendje van mij, die altijd meteen naast mij kwam lopen. Wij vormden samen al snel de staart van de stoet en wisten de wandeltijd goed te besteden met het gooien van steentjes in het water. Uiteindelijk liepen wij zo’n tweehonderd meter achter de hoofdgroep van het gezelschap. Dat was ook veel beter want wij hadden zo onze eigen gespreksstof.
Zo bespraken wij de vraag of God eigenlijk wel een stem had zoals wij, of dat Hij via mensen praatte. Ach ja, wij waren negen jaar oud en in ons denken behoorlijk progressief. Wij waren nog maar net onder de poort doorgelopen, toen we een hard, sissend, bijna knetterend geluid hoorden. Het was een onaangenaam en angstaanjagend geluid, en het had een brandgeur… Het zette ons aan tot hard weglopen en dekking zoeken. We vluchtten recht vooruit naar de anderen toe, die allemaal een enorme knal hadden gehoord. Wij draaiden ons pas weer om toen we hen ver voorbij waren. Er was niets bijzonders te zien aan de poort met de twee torentjes en de twee mannen van het gezelschap besloten na enig overleg dat de bliksem plotseling moest zijn ingeslagen, wel vreemd… want er was geen sprake geweest van onweer tot nu toe.
Wij, die met kloppend hart stil stonden, wisten wel beter. Het was de stem des Heren geweest die verdere escalatie van onze gedachten had voorkomen en ons tot de orde riep! Wij hebben het er nooit over gehad, maar ik weet zeker dat we dat allebei dachten toen we verder stil naar de kerk liepen.
Ik kom nog regelmatig in de stad van mijn jeugd, maar door die poort ga ik niet vaak meer. En ik weet nooit of dat voortkomt uit eerbied voor de stem des Heren, of omdat ik er met de auto nauwelijks kan komen en er alleen lopend of fietsend doorheen kan.
