logo

De ene keer valt alles mee en de andere keer zit alles tegen; u kent dat vast wel. Bij mij openbaart zich dit verschijnsel vooral bij stoplichten en wel in het bijzonder op zondag. Dat komt omdat ik dan op tijd ergens wil zijn, en wel in de kerk. Meestal hebben die lichten weinig begrip voor mij en staat alles op rood! Het is in Nederland trouwens een vreemde zaak met die lichten. In alle landen in de buurt heten die apparaten ‘verkeerslichten’, bij ons niet. Dat woord kennen wij hier ook wel, maar wij gebruiken in het dagelijks leven toch liever het woord stoplicht. Dat past beter bij ons idee, dat die lichten door de overheid worden geïnstalleerd om ons te hinderen. Die vreemde houding die wij geneigd zijn tegenover de overheid aan te nemen, zit ons in de genen. Die overheid is bij ons Nederlanders ‘zij’ en niet ‘wij’...

Soms laat die overheid ons ook wel gewoon begaan, hoor. De ‘stop’lichten die ik tegenkom, staan dan gewoon op groen. Zo komt het dat ik ook wel eens vroeg in de kerk ben, maar meestal ben ik toch wat aan de late kant, en dat komt allemaal door die lichten. Nee, dat commentaar van u ‘dan moet je maar gewoon iets eerder van huis gaan’, slaat in mijn geval echt nergens op. Zodra ik er aan kom, springen ze subiet op rood. Van mijn huis tot aan de kerk kom ik er zes tegen; kunt u nagaan…

Er zijn natuurlijk veel meer mensen die net als ik een stoplichtenroute hebben. Wat zouden al die mensen eigenlijk denken als ze naar de kerk gaan, en dan ettelijke keren het rode licht van de wereldlijke overheid tegenkomen? Mag het soms niet vanmorgen? Misschien wil de overheid ons wel naar de sportvelden hebben om subsidie uit te sparen? Maar die overheid kan toch lekker niet ingrijpen in zulke zaken… Nee, gelukkig niet!

Er zijn medekerkgangers die nauwelijks last hebben van lichten op hun pad. Dat zijn zij die komen fietsen, lopen of liever nog wandelen. Dat wandelen is een fantastische gewoonte van vroeger, en je hebt als voetganger duidelijk een voorrangsbehandeling. Vroeger wandelde ik zelf ook naar de kerk, al dan niet in gezinsverband, maar ach… dat is mij allemaal gewoon te veel geworden. En het zou toch zó gezond zijn! Ja, wat wilt u: de welvaart heeft ons lui gemaakt… mij tenminste wèl!

Vroeger, in de dagen van Jezus, liep bijna iedereen. Al die mensen die naar Jezus’ gelijkenissen luisterden, waren lopend gekomen, een enkele uitzondering daargelaten van iemand die op een ezel kwam of in een draagstoel werd vervoerd.

Dat gewandel begint in de bijbel al vroeg. ‘En Henoch wandelde met God en stierf niet’, heb ik vroeger geleerd op de toenmalige lagere school. Dat was een interpretatie die zó eigenlijk niet in de bijbel stond. In de huidige vertaling staat: ‘Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God; aan zijn leven kwam een einde doordat God hem wegnam’. Dat lijkt mij veel beter maar het wandelen is verdwenen, dat is jammer.

Ik herinner me dat ik me lang heb afgevraagd hoe dat was, dat wandelen van Henoch met God. Zouden ze tijdens dat wandelen echt met zijn tweeën zijn geweest, of moesten we dat anders ‘duiden’? In mijn heel jonge jaren heb ik op zeker ogenblik gedacht, dat naar de kerk wandelen wel net zoiets moest zijn als wandelen met God. Daarom moesten wij natuurlijk lopen naar de kerk. Tegenwoordig wandelen we niet zoveel. We rijden meer met de auto, en zo’n ding heeft zo zijn nadelen. En of je nu ook kunt autorijden met God… daarvan ben ik niet zo zeker.

We moesten maar wat meer gaan wandelen, dan hebben we ook minder last van al die lichten op ons pad. Dan krijgt het woord van psalm 109 vers 105 ook méér praktische betekenis: “Uw wóórd is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad”.