logo

Zo nu en dan kom ik daar nog… in Minnertsga, de plaats waar mijn grootvader geboren is en waar hij met zijn vrouw begraven ligt naast de kerk in het centrum van het dorp. Mijn grootvader woonde jarenlang in Leeuwarden. Hij was een denker, maar wàt hij dacht, en trouwens ook wat hij allemaal in de wereld om zich heen zag, beviel hem maar matig. Dat kon je zien aan de rimpels boven zijn neus en op zijn voorhoofd. Bij hem in huis stond de bijbel altijd op een vaste plek, opdat iedereen die vaak bij hem kwam precies zou weten waar de heilige schrift zich bevond. Dat was goed en nuttig voor degenen die daar vaak waren, onder wie zijn kleinkinderen.

Mijn grootvader heette ‘pake’, mijn grootmoeder ‘beppe’. Als ik dit zo zeg, lijkt het net of ik maar één paar grootouders heb gehad en dat is niet zo. Net als iedereen heb ik natuurlijk twee grootvaders en twee grootmoeders: namelijk die van de kant van vader en die van de kant van moeder. Die van moeders kant heetten ‘opa en oma’; hen ken ik alleen maar van foto’s. Dat waren echte Hollanders, die wel lange tijd in het noorden gewoond hebben met hun hele gezin, maar die door niemand ooit pake en beppe zijn genoemd omdat die taal niet in hun ziel verankerd was.

Bij pake en beppe logeerde ik vaak gedurende de eerste acht jaar van mijn leven. En altijd na het eten kwam standaard de vraag: Pieterom… de Bibel!?! Het was meer een opdracht dan een vraag: pak de bijbel! Wat dat aanhangsel ‘-om’ achter mijn voornaam eigenlijk voorstelde, is mij nooit geopenbaard en ik heb er nooit naar gevraagd. Ik heb altijd maar aangenomen dat het een soort liefdevolle toevoeging was. Voor zover mij bekend, zei hij het alleen maar tegen mij en niet tegen andere kleinkinderen die Pieter heetten, maar dat weet ik niet eens zeker.

Er was iets bijzonders aan die bijbel van hem: het was namelijk een Friese bijbel, zijn trouwbijbel met veel aantekeningen. Mijn pake en beppe spraken, schreven, lazen en dachten in het Fries. Ze droomden volgens mij ook in die taal, als er tenminste in dromen gesproken wordt, en dat weet ik eigenlijk niet. Er zijn wel geleerde lieden die daarover het één en ander beweerd hebben, maar of ik zulk soort geleerden moet geloven, weet ik eigenlijk ook niet.

Pake hàd iets met Pasen. Over de opstanding der doden had hij duidelijke opvattingen en hij stelde zich dat alles heel plastisch voor. Dat was bij beppe heel anders, die had veel meer een afwachtende en aanvaardende houding in de geest van ‘we zullen wel merken hoe dat allemaal gaat, we zien het wel op ZIJN tijd’. Pake had het zijn zonen en dochteren allemaal goed ingeprent: hoe en waar hij precies begraven wilde worden. Natuurlijk naast zijn vrouw! Het idee dat het huwelijk ophield bij de dood, had hij zich nooit eigen willen maken. Hij zou op de jongste dag mèt en náást zijn vrouw opstaan. ‘En, denk erom…’, had hij vaak gezegd, ‘…geen zware liggende steen op het graf, want die kan ik in mijn eentje nooit omhoog krijgen als het grote ogenblik dáár is’.

Mocht u nu een glimlach niet kunnen onderdrukken, dan moet u die snel van uw gezicht halen, want hij bedoelde dat heel serieus! Mijn pake en mijn beppe liggen naast elkaar begraven bij de kerk in zijn geboorteplaats… in graven met een eeuwig recht tot de jongste dag. Zo nu en dan kom ik daar nog, lees de Friese tekst op hun grafsteen en zeg dan hardop hun namen!

(*in de nieuwe bijbelvertaling is dit in Johannes weergegeven als ’laatste dag’)