logo

Het overkomt u vast ook wel eens in een gezelschap, dat u ineens een beetje vervreemd om u heen kijkt en denkt: “Wat doe ik hier eigenlijk en wie zijn deze mensen allemaal?” Dat duurt nooit lang, het is een korte dagdroom. Het is net of ik op zo’n ogenblik even ergens anders ben, in een andere tijd misschien wel.

Iemand die dat ook váák had, is mijn overgrootvader Dirk; dat zeiden zijn kleinkinderen tenminste altijd. Opa Dirk kon tijdenlang in gedachten elders verwijlen, en ik voel mij echt familie van die Dirk. Oh, die hebt u niet gekend? Dirk Cornelis van Dijk was mijn overopa van moederszijde. Hij woonde in Genemuiden, “Gellemu’en” zeggen ze daar en ze schrijven Gaellemuun. Mijn moeder zei vroeger dat ze daar hun eigen taal hebben: het Gaellemudigers en ik denk dat ze gelijk had.

Dirk Cornelis was een echte handelsman en hij had een bedrijf dat riet en rietmatten produceerde. Ik ken hem alleen van een oude foto en van verhalen van vooral mijn moeder. Dirk Cornelis reisde de halve wereld af, en vooral het midden-oosten. Hij kwam veel in Israel, in Libanon, in het tweestromenland en ook in Perzië. In dat land deed hij grote zaken; overal handelde hij en verkocht hij rietmatten. Zijn kleinkinderen mochten graag luisteren naar verhalen over al zijn reizen. Zijn uitvalsbasis was altijd Jaffa dat hij steevast Joppe noemde, omdat het zo in de statenvertaling staat.  

Grootvader Dirk Cornelis was een groot bijbelkenner en overal waar hij kwam, gedroeg hij zich als zendeling, op zijn eigen wijze natuurlijk. Hij had een statenbijbel met veel in potlood  bijgeschreven aanvullingen, want hij vond dat de bijbel moest worden verduidelijkt. “Want…,” zo zei hij altijd, “daar in het land Nod begrijpen ze het allemaal niet zo best; je moet daar je verhalen goed verpakken, anders komt het nièt echt óver.” Op vragen van zijn toehoorders, hoe hij dat dan deed, terwijl hij alleen zijn moerstaal sprak, en waar dat land Nod lag, antwoordde hij altijd: “Oh, ik spreek overal gewoon Gaellemudigers; die taal is nog van vóór de spraakverwarring in Babel en die verstaat nog iedereen daar in die streken. En het land Nod? Wel dat ligt ten oosten van Eden, dat staat al in Genesis. Dat is het land waarheen Kaïn vluchtte. Hebben jullie geen bijbellessen gehad?”             

De streek waar hij heenging, noemde hij altijd “het land Nod”. Daar woonden alleen heidenen, allemaal nakomelingen van Kaïn. Uit hem kon weinig goeds voortgekomen zijn, dus zag overopa er ook geen been in om hun een flinke poot uit te draaien voor zijn rietmatten. Hij was lange perioden op reis, maar meestal was hij met kerst en oud- en nieuw thuis. Hij bleef dan minstens een maand, waarin hij zijn zaken regelde, veel nadacht en aan familiebezoek deed. Na verloop van tijd kon hij het thuis niet meer uithouden. Dan klapte hij in de handen en zei: “En nu dan, zend mannen naar Joppe”, naar Handelingen 10 : 5. Zijn familie wist dan, dat hij weer op pad ging, echter niet voordat hij lang met de dominee had gepraat over zijn zendingsactiveiten in het voorbije jaar.

Mijn moeder en haar broers en zussen hebben lange tijd de gewoonte gehad om, als er iets gebeuren moest, in de handen te klappen en te zeggen: ”Nu dan, zend mannen naar Joppe”. Toen ikzelf in 1965 in het oude Joppe naar beneden uitkeek over het omliggende Tel Aviv en langs de kustlijn van Israel, heb ik aan Dirk Cornelis gedacht. En ik heb toen lang in oostelijke richting gestaard, naar waar zo’n duizend kilometer verder het land Nod moet liggen, het handels- en zendingsgebied van mijn overgrootvader Dirk Cornelis…