logo

Soms kom ik hem op zondag tegen, helemaal ongepland, maar misschien toch niet helemáál onbedoeld. Hij zit dan op de Grote Markt en drinkt een kopje koffie op één van de terrassen vlakbij de Grote Kerk; hij heeft nèt de ochtendmis achter de rug in de kathedrale kerk St. Anthonius, òf hij zit te wachten tot die begint. Tja, wij protestanten doen zoiets naar mijn idee nog steeds niet zo gemakkelijk, ik bedoel koffiedrinken bij een restaurant voor of na de kerkdienst. Er is èrgens iets dat ons tegenhoudt. Naar een terras van een restaurant… op zondag, na de kerkdienst… !? Nee inderdaad, er staat niets over vermeld in de tien geboden of de “tien woorden” zoals we die tegenwoordig noemen, maar toch…! Dat doe je niet!

Hij is een doorgewinterde Rooms Katholiek van benéden de rivieren, een echte. En ik? Ik ben een protestant van het zuiverste water van bóven de rivieren, ook een echte… En wij herkennen dat steeds in elkaar. We kennen elkaar al een poosje, we zijn namelijk zo ongeveer collega’s geweest in dienst van dezelfde werkgever. Ik vond hem het prototype van een echte “paap”… dat dàcht hij in elk geval en hij zag in mij een regelrechte “papenhater”, dat dacht ik tenminste. Dat had àlles in zich om uit te groeien tot een moeizame relatie, maar eigenlijk mogen wij elkaar graag in al onze verschillendheid.

Soms ja… sòms kan ik door een uitspraak van iemand bij een waarheid worden bepaald die voordien nooit zo goed tot me was doorgedrongen. Nou ja, ik wist het natuurlijk wel, maar er is een verschil tussen weten en weten. Een mens weet zovéél dingen, maar dat die hem nu ook echt voortdurend voor de geest staan… nee!

Op een goede zondag zat hij weer op zijn terras met een kopje koffie. De Grote Kerk liet net haar protestantse gasten uit van de zomerse morgendienst. Ik bevond mij onder hen en liep recht op hem toe om hem even te groeten. Hij keek mij wat broeierig aan alsof hij benieuwd was naar mijn reactie, en sprak toen : “Zooóó, komen jullie weer uit je kraakpand?”

Kijk, bij zo’n opmerking sta je wel even met de mond vol tanden, ik tenminste wel. Zo had ik het nou nog nooit bekeken. Ik kom ’s zomers graag in de Grote Kerk, waar de geur hangt van eeuwen en waar het gezang van nu zich mengt met de lofzang van toen. En dan beweren dat ik dat gebouw heb gekraakt? Dat gaat wat al te ver en past helemaal niet bij mijn cerebrale gedachten. “Volgens mij is dit pand definitief bestemd voor de protestantse eredienst in 1637; daarvóór zal het wel steeds van kleur gewisseld hebben afhankelijk van het regionale gezag. Misschien kunnen jullie de zaak wel terugdraaien voor € 1, als je de onderhoudsplicht op je neemt, en die ook vervult,” zei ik vol overtuiging. Hij lachte en wenste mij verder een goede zondag. Ja zeg, de Grote Kerk als protestants kraakpand! Heb je het ooit zo zout gegeten.

Toch moet ik steeds als ik de zomerdiensten bijwoon wel weer even terugdenken aan die opmerking van hem. Al die krakers samen in de kerk; dat heeft toch iets aardigs. Het zijn er alleen veel te weinig. Er kunnen er meestal veel meer in, dan kan de gemeentezang het orgel beter ondersteunen!

Hij komt zelf ook, die RK vriend van mij. Ja, zo nu en dan hè, niet al te vaak natuurlijk. Hij wil absoluut niet tot die krakersgemeenschap van ons gerekend worden, maar als gast is hij uiteraard altijd van harte welkom.