Ik was nog maar de enige bewoner van het ziekenhuiszaaltje, waar ik op bed de pijn in mijn benedenrug lag te verbijten. Ik vroeg mij af of dit nu ondragelijk lijden was, maar dat zal wel niet. Het kon nog veel erger en ook veel minder dragelijk dan nu, want achteraf gezien ben ik goed door de pijn heen gekomen, weliswaar met een paar behoorlijke mankementen aan het benen-mechanisme en het evenwicht in de benen, maar toch…! Na verloop van tijd zal dat nog best kunnen verbeteren. In de namiddag was mij door de hogere ziekenhuisleiding kennelijk een metgezel in de kamer toegedeeld, die rustig met een tas kwam binnenwandelen, en toen waren we dus met zijn tweeën. Hij ging zitten en mompelde onverstaanbare dingen tegen mij. Wat zou die man hebben? Nadere bestudering van de patiënt leerde mij dat hij een herseninfarct moest hebben gehad ìn de linkerhersenhelft: spraak helemaal gestoord, onverstaanbaar, rechterarm hing erbij, en rechterbeen… nee, dat functioneerde nog. Nou, dan had hij wel geluk gehad!
Even later kwamen twee meisjes binnen, twee dametjes die nog zo’n beetje in de maak waren naar de volwassenheid, maar toch al bijna “af” en die precies dezelfde neuzen hadden als die onverstaanbare vent. De dochters hadden nog wat bagage voor hun vader bij zich en waren kennelijk erg op hun pa gesteld, want ze omringden hem met zoveel zorg en affectie, dat de man bijna dood geknuffeld werd. Het was een plezier om dat aan te zien.
Na één nacht slapen in mijn nabijheid leek zijn spraak aanmerkelijk verbeterd. Zou dat mijn goede uitstraling zijn? Moest haast wel! Ik kon hem zowaar verstaan op een groot aantal wóórden na dan natuurlijk, maar die kon ik er zó bij raden.
De man had de hele godganse nacht zo verschrikkelijk liggen snurken, dat mijn humeur ver beneden het absolute minimum was gezakt. Zou deze man nu ook een naaste zijn aan wie ik liefde moest bewijzen? Ik betwijfel het, hoor… Hij had zó vreselijk gesnurkt, dat het maar goed was dat ik mijn bed niet uit kon komen zonder hulp, want ik had hem gegarandeerd vermoord. Ja… vermoord! Dat had best gekund met die ene stok met haak die daar in de hoek bij de deur stond. Ergens middenin de nacht was mijn razernij op een gegeven ogenblik zo groot, dat ik lag trillen in bed van machteloze woede en haat.
De hele nacht lang heb ik ernstige, zeer onchristelijke, ja satanische wraakgevoelens ontwikkeld. Kijk, ik kon die niet uitvoeren, want ik kon toch moeilijk de dienstdoende verpleging oppiepen met het verzoek of die mij even wilde assisteren om de man ter plekke met die haak in de hoek de hersens in te slaan. Er waren in mij weinig christelijke, liefdevolle gevoelens overgebleven. In sommige omstandigheden werken liefdevolle christelijke gedachten nu eenmaal niet; dat kun je op vele plaatsen in de bijbel ook wel constateren: ze zijn er dan helemaal niet.
Ik leed aan totale uitputting na die slapeloze, wraakzuchtige nacht, en de vrouw die om een uur of elf binnenkwam, zag er net zo onuitgeslapen uit als ik, denk ik zo, want ik had mezelf natuurlijk nog niet in de spiegel bezien. Dit moest zijn echtgenote zijn, dacht ik; die sliep natuurlijk helemáál nooit … Nou, zo zag ze er ook echt uit!
Ze groette mij en ik vroeg meteen: “Slaapt u gewoonlijk naast die man?” “Ja”, zei ze, ”wat een snurker, hè?” Ze had het kennelijk onmiddellijk begrepen. Ik vertelde haar van mijn neigingen tot moord, en dat het maar goed voor hem was dat ik mijn bed niet uit kon komen. “Ach”, zei ze, “maar hij kan het toch ook niet helpen?” Nou, dat zou best kunnen, maar ik, arme slapeloze pijnlijder, kon er al helemáál niets aan doen, toch? Ik zei verder maar niets tegen de onuitgeslapen dame. Waar stond dat ook weer, die mooie veel geciteerde tekst over de wraak. Volgens mij stamt die eigenlijk uit Deuteronomium, maar ik ben te boos, te lui en te slaperig om het nu allemaal na te kijken. Paulus zal het wel ergens herhaald hebben: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere… Tja, maar iemand moet zo’n wraak toch uitvoeren? En waarom zou ik dat niet zijn eigenlijk?
’s Avonds vroeg ik de verpleging om twee slaaptabletten, want ik wilde niet nòg een slapeloze nacht door die snurker. En de wraak was zoet, de volgende dag. Ik had kennelijk vreselijk liggen snurken. Mijn buurman had geen oog dicht gedaan. Net goed…!
