Dit getal doet vast de vraag bij u rijzen waar het eigenlijk op slaat. Wel, dat is heel eenvoudig, kijk maar: 2 x [ 1+12 ] = 26 , begrijpt u? Nee? Ach, ik moet mij ook gewoon duidelijker uitdrukken. Er staat in cijfers, dat het totaal van het aantal voeten van de groep van Jezus met zijn discipelen 26 is. “Nou, èn?” zult u nu misschien zeggen. Nou, die voeten moesten allemaal voor het binnenkomen in het huis van Marta in Betanië, worden gewassen.
Op een goede manier een gezelschap ontvangen, was vast een kolfje naar Marta’s hand, maar alleen als het van te voren duidelijk was afgesproken. Dat wassen van die voeten moest plaatsvinden bij aankomst in huis, en wel stuk voor stuk. Dat moest allemaal gebeuren met de putemmer van de bron, en met een bak en een soort lampetkan. Met de open sandalen van die tijd werden de voeten behoorlijk smerig, en dat wassen was een heel karwei zonder zeep…!
Maar ja, zo’n gezelschap als dit, was niet zo goed in afspraken. Natuurlijk had weer niemand even opgebeld of een sms-je gestuurd om hun komst aan te kondigen, zodat Marta voldoende eten en drinken in huis had kunnen halen. Misschien had Judas, de secretaris-penningmeester van die praat- en wandelclub van hun vriend Jezus, het de vorige keer dat ze hier waren, wel gezegd: Over een paar weken komen we waarschijnlijk weer langs, reken daar maar op. Maar aan zo’n onduidelijk verhaal had je niet veel, dan wist je nog niets. Zo kun je toch niet iets regelen?
Aan die zus van haar, Maria, had ze óók al niets. Die mengde zich altijd meteen in de groep en ging bij voorkeur aan de voeten van Jezus een beetje blij zitten wezen of -dat kwam ook voor- zitten snikken om de vele zonden die ze begaan had en waarvan ze nu zo’n spijt had. Voor een buitenstaander leek dat heel devoot, maar intussen was zij, Marta, nog bezig de voeten van de meeste van die kerels te wassen. En dat waren er dus zesentwintig met alle stof en zand van het overjordaanse land er aan vastgekleefd. En het was echt maar één keer geweest hoor, dat Jezus zelf had voorgedaan hoe je anderen moest dienen. Hij had toen zèlf alle voeten gewassen, en ineens kwamen er allemaal protesten: nee, nee, u moet mij de voeten niet wassen, wij moeten ù de voeten wassen maar intussen deden ze het mooi niet! Hoe vaak had zij, Marta, die taak al niet uitgeoefend? Nooit een bedankje en ook nooit een protest dat zij dat niet moest doen en intussen deed die zus van haar helemáál niks; ze heette dan ook niet voor niets Marta: bitter wordend betekent dat.
Wij kennen allemaal wel het soort mensen dat zich altijd en overal aan allerlei plichten onttrekt en een ander het werk laat doen. En dan nog een goeie smoes hebben ook! Marta wist precies tot wie ze zich moest wenden om Maria aan het werk te krijgen: tot Jezus natuurlijk. Het antwoord op Marta’s vraag, of Jezus nou niet kon zorgen dat Maria eens wat meehielp met dienen, was een beetje bot: “Marta, Marta, wat maak je je toch bezorgd en druk om veel, er is maar zo weinig echt nodig. Maria heeft het goede deel gekozen.” Nou ja, zeg, het moet niet gekker worden! Het kan zijn dat het sarcastisch bedoeld was, maar ik denk van niet. Gelukkig hoef ik niet te kiezen tussen de twee zussen, maar àls dat nodig zou zijn, dan werd het Marta! Die organiseerde de zaakjes wel. Aan háár had je wat, op haar kon je bouwen. Maar een complimentje op zijn tijd had er best afgekund...!
