Het was een prachtig plekje waar mijn visbootje lag, de zon schuin achter, geen wind, geen stroming. Ik zat er al een uur of twee, gewoon... te staren naar de dobber die onbewegelijk in het spiegelgladde water stond. Ze beten helemaal niet, behalve in het begin toen ik een forse brasem gevangen had; daarna niets meer behalve stilte en rust.
Het jongetje in het rubberbootje had al een tijdje rondgevaren en kwam nu mijn kant op. Hij hoorde kennelijk bij de boot net om de hoek achter het eilandje. Hij peddelde in een boog om mijn dobber heen, alsof hij zeker wilde weten dat ik hem gezien had en hij opende het gesprek.
“Bijten ze nogal?” vroeg hij.“ ‘t Gaat”, bromde ik. In visserstaal betekent dat: helemaal niet. Het jochie verstond die taal kennelijk, want hij antwoordde met een deskundig gezicht “Een tijdje geleden nog wèl; heb jij al wat gevangen?” Ik lichtte het leefnet een beetje op, waarin de brasem protesterend met zijn staart sloeg. Een laatdunkende trek verscheen op zijn gezicht.
“Oooh ... !?” zei hij. De minachting die daaruit sprak, is nauwelijks te beschrijven. “Ik had daarnet een véél grotere”, sprak hij beslist en hij strekte zijn handen zo ver mogelijk van elkaar...”Zó ongeveer!”... Ik had duidelijk met een vakman te maken, iemand die bovendien gesprekken met andere vissers niet schuwde. “Waar vis je mee?” vroeg hij. “Met een broodvlok”, zei ik. Dat kon kennelijk zijn goedkeuring wel wegdragen, want hij knikte tevreden en verklaarde dat brood het beste aas is om mee te vissen.
“Hoe bedoel je dat?” informeerde ik. “Nou, je kunt ook met majen vissen”, sprak hij belerend, “maar mijn mama zegt dat majen levende beesten zijn en dat vissen dat best weten. Die vinden het gemeen als mensen majen aan een haak doen en daarom bijten ze er expres niet in”.
“Bedoel je dat vissen wéten dat er in die majen een haakje zit?” vroeg ik verbaasd. Hij knikte beslist, “daarom moet je ook altijd met brood vissen”. Ik moet zeggen dat ik het zó nog nooit bekeken had. “Wat heb je gedaan met die grote vis die je gevangen hebt?” vroeg ik. “Die vis was erg sterk hoor, hij was zo groot dat hij mij de hengel uit handen heeft getrokken. Ik ben alles kwijt: hengel, snoer, alles”. Het klonk wat verdrietig. “Maar ik mocht van mama nog even zoeken, ik ga weer verder hoor, dàààg”. Hij roeide verder, speurend naar zijn hengel met vis. Toen het bijna donker was, begon ik mijn spullen in te pakken. Het was wel genoeg geweest voor vandaag; langzaam roeide ik terug. Nog even over het water uitkijkend, hield ik de riemen stil...
Ik zag hem pas, toen hij de boot al voorbij was. De hengelstok had mij met een rustig vaartje ingehaald en sloeg toen linksaf. Met een schok dacht ik weer aan het jongetje met de vis en de hengel die hij kwijt was. Nieuwsgierig roeide ik achter het visgerei aan en deed een greep in het water. Toen ik de lijn van het hengeltje had ingehaald, spartelde daar een heel klein voorntje. Ik lachte: wat een ongelofelijke opschepper...
Vissers zijn bijzondere mensen, dat weet iedereen. Kijk, ze zijn als discipel heel geschikt, maar je moet oppassen met hun verhalen. Die hebben vaak een draai in de goede richting nodig... Voorzichtig onthaakte ik het voorntje en gaf het de vrijheid. Nadat ik mijn brasem aan het haakje had gedaan, koerste ik naar de boot waar de grote visser verblijf hield, om daar de blijde mare van de herwonnen hengel en de grote vis te brengen. Mijn bakje met maden en wormen legde ik uit het zicht en verborg het achter een stapel lappen. Het brengen van een blijde boodschap moet met verstand en omzichtigheid gebeuren, anders krijg je van die vissersverhalen...
