We hebben daar vaak de mond van vol: dienst aan de ander. En dat is natuurlijk heel goed, zulke diensten kunnen wij in het dagelijks leven aan velen verlenen, voorbeelden te over!
Neem nou het verkeer en ik denk nu vooral aan diensten die men aanmij persoonlijk kan verlenen! Misschien klinkt u dat een beetjeegocentrisch in de oren, maar ik ervaar dat zelf helemaal niet zo! Ik ben tenslotte ook een verkeersdeelnemer naar wie moet worden omgezien, of niet soms? Ik ga zelf op de meest onmogelijke momenten met de auto mijn oprit af. En het is of de duvel ermee speelt, maar altijd als ik de rijweg op wil, zijn er tientallen anderen die door willen rijden op diezelfde weg en mij intussen hinderen aan het verkeer op die weg te gaan deelnemen.
Wel, ik geef toe dat degene die de weg opkomt, van een op- of afrit bijvoorbeeld, voorrang moet verlenen aan degene die daar al rijdt, maar ja… de interpretatie van die regel is kennelijk wel eens wat lastig. Zo menen verreweg de meeste automobilisten die al op die weg rijden, dat zij voorrang hèbben op degenen die daar, zoals ik op dat moment, nog òp moeten komen. Dat idee hebben ze nu eenmaal; ze hebben dat zo nooit geleerd met de rijles hoor, maar zo’n positief idee over zichzelf zet zich kennelijk graag vast in het brein van de mens. Nee, bij de rijlessen hebben ze geleerd onder welke omstandigheden ze een andere erkeersdeelnemer voorrang moeten verlénen, en dat is echt een heel andere benadering.
Nu zijn er natuurlijk grote verschillen in automobilisten die langs mijn huis rijden. Je hebt mensen die al claxonnerend aan komen rijden, alsof ze willen zeggen: je hebt me toch wel gezien hè, en je weet dat ik voorrang heb, dus wacht even tot ik voorbij ben… en pas op hoor, denk erom. Bovendien weten de meeste mensen zeker, dat ze zijn beland op de rijksweg Breda-Ulvenhout als ze bij mij langskomen. Na de laatste rotonde vlakbij ons huis is het dan gasgeven geblazen want “wij hebben ongelofelijke haast”. Alleen het roodomrande ronde bord met 130 hebben ze nog even niet gezien, en dat klopt natuurlijk, want dat bord is er helemaal niet!
Maar, er zijn uitzonderingen… dat wel! Dat zijn de automobilisten die de verwachting hebben dat ik het ben die van de afrit kom, en mij al herkennen voor ze mij echt gezien hebben, bijvoorbeeld de medekerkgangers die op zondag dezelfde koers hebben als ik. Zij stoppen even tot ik de juiste positie heb om mij te laten voorgaan. Wij groeten elkaar dan met handopsteken en gaan ons weegs, òf naar dezelfde kerk of naar een andere. Ja, dat kan ook. Kijk, dàt zijn de méde-mensen met wie ik een band heb! Met al die anderen die allerlei capriolen op de weg uithalen die nergens toe dienen, heb ik niets en zeker geen band. Zij gedragen zich niet zó dat ik rustig mijn gang kan gaan. En ik heb iets tegen het soort mensen dat probeert mij in mijn bewegingen te beperken.
Laatst heb ik op een zondag heel lang staan te wachten tot er iemand zou komen die de weg vrijgaf om mij toe te laten. En ja hoor, daar stopte iemand om mij even doorgang te verlenen. Even goed gekeken of het een bekende was. En jawèl, een kerkganger die naar Ginneken ging. Kijk, Men zegt nou wel dat kerkgangers gewone mensen zijn, net zo slecht of zo goed als niet-kerkgangers, maar daar geloof ik niets van. Kerkgangers zijn stukken beter en ook veel socialer… zeker weten! Nou ja, gemiddeld dan.
