Vroeger zag ik haar nogal eens fietsen, op weg van haar woonplaats naar Breda. Zij passeerde dan ons huis aan de overkant van de weg. Voor mijn gevoel kwam ze nooit terugfietsen, want dat heb ik nooit gezien. En je moet niet denken dat ze ooit op of om keek bij het voorbijgaan of dat ze een hand opstak. Nee hoor, kennelijk was zij een heel ander soort fietser als ik, die altijd bezig ben met wat ik onderweg ‘toevallig’ tegenkom. Mijn fietstochtjes zijn nooit gepland en altijd anders dan gedacht. Bij haar was dat niet zo. Als ze voorbij kwam, kwam ze alleen maar voorbij. De laatste tijd zie ik haar nooit meer, ze is bijna een jaar geleden overleden…
De grens tussen naastenliefde en eigenbelang is soms maar moeilijk te trekken. Het soort discussies dat daarover kan plaatsvinden, kennen we allemaal wel, denk ik: Steunen wij nu sommige Afrikaanse landen omdat dié dat nodig hebben, of doen we dat omdat wij van hen iets kunnen krijgen wat wij denken nodig te hebben? En hoe zit het eigenlijk met sommige militaire uitgaven die wij in Nederland onder het hoofdje ‘ontwikkelingshulp’ plaatsen? Ach, dat is allemaal politiek gedoe, denk ik dan, en ik kan mij er eerlijk gezegd niet zo druk om maken.
Maar, op privé-terrein ligt het bij mij toch anders en denk ik wel eens na over die scheidslijn. Er staat op verscheidene plaatsen in de bijbel dat God de weduwen en wezen gedenkt, en wij doen dat natuurlijk in zijn naam omdat wij nu eenmaal zijn handen en voeten zijn. Nu neem ik aan dat ‘weduwnaars’ in de huidige tijd toch eigenlijk ook wel in dat rijtje van de weduwen en wezen thuishoren, ja… ik weet het haast wel zeker. En daarom ga ik zo nu en dan eens bij hèm langs. Meestal doe ik dat op de fiets en combineer ik dat tochtje met -wat ik altijd noem- een “rondje Mark”. Die Mark loopt een eindje achter mijn huis en je kunt daar langs dat riviertje lekker wandelen en fietsen, en ik kan dat “rondje” net zo groot maken als ik wil.
Al fietsend heb ik dan zo mijn gedachten over het leven en over de vraag of er misschien al een ooievaar op het nest zit, daar op de boerderij van staatsbosbeheer. Maar ook de vraag of dit fietstochtje van mij nu valt onder mijn eigen recreatie of onder het betrachten van naastenliefde, houdt mijn gedachten bezig. Ik kan maar nooit tot een besluit daarover komen, maar ik betrap mij onder het fietsen wèl op de vraag of hij misschien ook iets lekkers bij de koffie zal hebben. Dat zou best fijn zijn voor een fietser, als ik, die toch al een beetje op jaren komt.
Bij zijn huis aangekomen bel ik niet aan. Dat hoort hij meestal toch niet, weet ik uit ervaring. Dus tik ik tegen het raam en dan kijkt hij meteen op van de krant die hij zit te lezen. Als ik binnen ben in zijn huis en in de woonkamer, herinnert bijna àlles wat er staat en hòe het er staat, mij aan zijn vrouw die er niet meer is. Hij heeft het heel moeilijk met het feit dat zijn vrouw is overleden. Ze zijn ruim vijftig jaar getrouwd geweest en hebben samen vier kinderen gekregen en grootgebracht.
Het is toch geen manier van doen van God om op zo’n manier een samenlevingsverband te verbreken? Hij weet toch wel dat de één niet meer zonder de ander kan? Of is het niet God die daarin de hand heeft? Ach, ik weet het niet, maar we mogen best naar Hem schreeuwen in zulke omstandigheden. Dat hebben ontelbare mensen vóór ons ook al gedaan, bijvoorbeeld Maarten Luther, die geschreven heeft: “God is een leeg vel papier waarop alleen staat wat je zelf hebt geschreven”. Als je zoiets schrijft, dan heb je het wèl moeilijk met God gehad!
Zo nu en dan kijk ik nog uit het raam en dan denk ik: Hé, daar fietst… Maar dat kan niet, want zij is er niet meer!
