logo

Het had iets van een slagveld, deze laatste weken: ik bedoel het aantal mensen dat is overleden in mijn directe omgeving. Het waren allemaal mensen die ik heb gekend, naast wie ik in de kerk gezeten heb, van wie ik de familie ken of van wie ik weet wie de nabestaanden zijn. Die ervaring heeft iets benauwends omdat het zo dichtbij komt. Aan die begrafenissen en crematies van de laatste tijd kan ik ook afmeten dat ik al behoorlijk oud aan het worden ben. Ik kan dat ook zien aan mijn interesse voor de advertenties op de rouwpagina van de krant. Het staat mij nog goed bij dat mijn vader dat deed, en dat ik me daar een beetje vrolijk over maakte, toen ik het zag. “Ja, ja…,” zei hij toen, “lach maar, wacht maar tot jij zo oud bent.” Zijn voorspelling is uitgekomen!

Rouwadvertenties hebben soms wat grappigs in zich, vind ik. Laatst zag ik een aankondiging over iemand die overleden was in Vrouwenpolder en geboren in Serooskerke, met bijna honderd jaar ertussenin. Ja, ik kan het niet helpen maar dan moet ik even lachen en dan denk ik: hij heeft het geprobeerd, maar is niet ver gekomen in zijn leven.

De eerste keer dat ik van heel nabij met “dood” werd geconfronteerd, was toen ik als klein jongetje met mijn grootvader was gaan vissen; hij zou het mij wel eens leren. Ik had een kleine hengel met een lijn, een dobbertje en een haakje, en een doosje met wriemelende maden. Mijn grootvader had een grote hengel en een kist met lijnen, dobbers en haken. Hij had bovendien een blik met levende visjes bij zich. Ik snapte toen niet waarom hij nog ging vissen als hij er al zoveel had, maar, terwijl ik op voorschrift van opa maden aan mijn haakje reeg, werd mij uitgelegd dat hij die visjes als aas gebruikte. Op mijn vraag of die aasvisjes en die maden geen pijn leden, als ze aan de haak werden gedaan, kreeg ik een wat mistig antwoord. Mijn grootvader zal toen wel gedacht hebben: daar moet hij zich maar eens mee bezighouden als hij wat ouder is, en niet nù. Ik ving die middag een grote brasem, die wij mee naar huis namen om thuis te laten zien. Thuis bleek de vis niet meer in leven. Ik begreep dat je dat kon zien doordat hij niet meer naar adem hapte en niet meer bewoog. Het gesprek dat ik later met mijn vader over de zaak had, leverde mij niet veel meer op dan wat ik al wist. ‘Dood’ was voor mij een mysterie.

De tweede keer dat ik bewust de dood ontmoette, was een paar jaar later toen een vogel met een grote klap tegen een raam vloog. Het beestje had de klap niet overleefd en werd onder leiding van mijn vader in aanwezigheid van alle kinderen begraven. Toen heb ik geleerd dat je een dood dier niet zomaar ergens moet laten liggen. In de vrije natuur kan dat wèl, daar wordt het opgegeten door andere dieren en later vind je nauwelijks iets van zijn bestaan terug.

Achter bij mij in de tuin ligt een oude stoeptegel. Daaronder ligt onze poes Socia begraven, die zo’n kleine vijftien jaar haar leven met ons heeft gedeeld. Ik herinner mij de dag dat zij stierf, nog goed. Ze had al een paar dagen wat ongedurig heen en weer gescharreld, alsof ze niet goed wist waar ze heen moest. De laatste dag van haar leven stootte ze vanuit de tuin klagelijke kreten uit, kwam nog eens de kamer in, miauwde op een voor mij onbekende manier, ging zich daarna buiten verstoppen onder een struik en was een uur later overleden. De manier waarop het hele proces verliep, had naar mijn idee iets heel natuurlijks.

      

Eén van mijn kleinkinderen, die veel met haar had gespeeld, was daar later aan het graven met een schepje. Hij had de tegel opzij geschoven en was al op wat botjes gestuit, toen ik hem zei daarmee op te houden. Van Socia was niets meer over dan die botjes. Het was ook voor dat kleinkind een mysterie! Is het bij een dier anders dan bij een mens?

Ach, ik heb het u al eens eerder verteld: ik heb niet zo veel met begraafplaatsen. Ik vind daar niet zozeer een confrontatie met de dood als wel een tuin met gedenktekens! De begrafenis (of de crematie) … dat is heel wat anders, en wij kunnen daar als christenen gelukkig een opgewekt verhaal bij houden!