logo

Zoals de meeste mensen in ons land heb ik thuis natuurlijk een verjaardagskalender. Daarop houd ik een overzicht bij van geboorte- en sterfdagen van een groot aantal mensen, allen uit de kring van mijn directe familie en bijzondere relaties. Tot mijn verdriet en verbijstering neemt het aantal kruisen op die kalender de laatste jaren onverbiddelijk sterk toe, de afgelopen maand nog: twee kruisen. Het is eigenlijk heel gewoon, maar ik wen er nooit aan, want ze zijn dood maar voor mij léven ze nog.

Leven en dood... De voortdurende opeenvolging van die twee is heel gewoon, maar wij zullen er nooit aan wennen. Zoals geschreven staat in 1 Cor. 15, is de dood de laatste vijand. Wij zijn er immers voor het léven, ik heb dan eigenlijk ook maar weinig met begraafplaatsen.

Vroeger was dat heel anders. Toen had ik een aantal schoolvriendjes van wie er één een zoon was van de beheerder van de algemene begraafplaats in de stad waar ik woonde. Die persoon zorgde voor het terrein, opende en sloot het toegangshek van het terrein, zorgde voor de beplanting en delfde ook de nieuwe graven: ‘graf maken’ heette dat bij hem. Nee, ik heb geen tijd, ik moet nog grafmaken; dat zei hij regelmatig. Hij was in feite de centrale figuur van alle gebeurtenissen daar. Onder zijn voortdurend controlerend oog gebruikte onze vriendenkring het oudere deel van deze hof der doden zeer frequent als speelplek. En dat mócht, als we ons maar niet te buiten gingen aan allerlei wandaden, en dat deden wij niet. Wij verstopten ons voor elkaar in struiken en achter grafstenen, wij beloerden elkaar en wij beschoten elkaar met zelfgemaakte speren en met pijl en boog. Bovendien sloegen we op elkaar in met houten zwaarden. Dat hadden wij niet van onze ouders geleerd en ook niet van de televisie, want die hadden we toen nog niet, maar van stripverhalen als Eric de Noorman. Wij voerden oorlog op leven en dood, dat was allemaal heel gewoon en we vonden het machtig mooi. Al met al een gevaarlijk gedoe, maar voorzover ik me herinner zijn er nooit gewonden gevallen.

Al die doden die zich onder het niveau van ons speelterrein bevonden, lieten zich nooit horen. Ik heb tenminste nooit iets in de lucht of de omgeving gevoeld van protesten tegen onze activiteiten. Die kwamen wèl van de levenden, en vooral van de baas van het terrein, die ons luidkeels tot de orde riep als wij het te bont maakten. Hij verbande ons dan van het terrein naar het parkeerterrein buiten het hek. Hij was daarbij niet zachtzinnig met zijn handen als kolenschoppen en hij was onverbiddelijk. Dat betekende voor die dag het einde van onze veldslagen en het herstel van de rust voor de doden. En wij...? Ach, wij konden de dag daarop onze blauwe plekken vergelijken; we vonden het allemaal heel gewoon.                 

Iets is ‘gewoon’ als we het gewend zijn, als het is zoals het altijd is of zoals we het altijd doen. Er zijn heel veel dingen die wij als gewoon bestempelen. Er zijn ook heel wat zaken die gewoon zijn, maar waaraan we nooit zullen wennen. Eén daarvan is de dood.

Op gezette tijden kom ik nog op de begraafplaats, en dan op het nieuwere gedeelte. Daar lees ik in het voorbijgaan min of meer automatisch namen, data en teksten op grafstenen. Velen die daar hun laatste rustplaats hebben gevonden, heb ik gekend. Voor mij zijn zij niet dood, want ik zie hen in gedachten nog duidelijk voor me, bezig te doen wat zij altijd deden. Kijk, hier liggen de ouders van een vriend van mij, daarachter onze vroegere achterbuurman, en daar... dààr ligt de vroegere beheerder van deze “plaats” zoals hij het hier altijd noemde. ‘Veilig in Jezus armen’ staat er gebeiteld op de steen van de man met de grote, harde handen. Nee, die is voor mij niet dood en ik wen er nooit aan dat hij er niet meer is, als ik hier kom. Ik hoor het hem nog bulderen met zijn handen dreigend omhoog : “Naar het parkeerterrein, stelletje donderstenen!”

Een paar weken geleden kon ik een nieuwe naam op mijn kalender zetten: Eveline, een kleindochter. Fantastisch, zo’n nieuw leven, vooral als het er allemaal gezond uitziet en het voeden goed gaat! Wij zijn er voor het leven!